Teksten‎ > ‎

De fluit van het keteltje van juffrouw Klaassen


De fluit van het keteltje van juffrouw Klaassen,
was er met de noorderzon vandoor gegaan.
Hij moest zo nodig stoom afblazen,
dat had hij zijn leven lang nog nooit gedaan.

 

Hij is 'em gesmeerd het was een week na Pasen.
Niemand die het wist alleen de kruidenier.
Die zag de fluit de aftocht blazen
en hij dacht die fluit gaat zeker aan de zwier.

 

De fluit van het keteltje van juffrouw Klaassen,
speelde toen drie weken in een groot orkest.
Hij bracht de mensen in extase
en de dirigent die vond het ook heel best.

 

De fluit die moest op vier april een solo blazen
in een hele grote zaal in Stampersgat.
Maar in de zaal zat juffrouw Klaassen,
want die had een kaartje van der broer gehad.

 

En vlak voor het einde van een mooie frase,
midden in het carnaval des animaux,
toen schreeuwde luidkeels juffrouw Klaassen,
kijk die fluit die is van mij dat zie je zo.

 

Ze nam resoluut de arme fluit te grazen
en ze ging naar huis toe met een kunstbezit.
Het zal nu niemand meer verbazen

dat die fluit weer op zijn eigen ketel zit.